Dak¶
Stap 2 zet het dak op het gebouw. Je kiest in het hoofdpaneel een van vijf vormen; helling, overstek en speciale opties stel je rechts in het parameterpaneel in.
Dakvorm kiezen¶
| Vorm | Beschrijving |
|---|---|
| Plat dak | Horizontale dakplaat. Standaard voorgeselecteerd. |
| Schilddak | Naar alle zijden hellend, zonder verticale topgevel. |
| Lessenaarsdak | Eén enkel hellend vlak. |
| Zadeldak | Twee hellende vlakken, nok in het midden, verticale topgevels. |
| Zonder dak | Het gebouw eindigt vlak op dakvoethoogte — geen dakschaal, geen topgevel. |
Lessenaarsdak bij de T-plattegrond
Bij de T-vormige plattegrond is het lessenaarsdak niet beschikbaar.
Helling¶
Bij zadel-, schild- en lessenaarsdak stel je de dakhelling in: 5–75° — bij het lessenaarsdak vanaf 1°. Plat dak en „Zonder dak" hebben geen helling.
Asymmetrisch zadeldak¶
Alleen bij rechthoekige plattegrond + zadeldak en Standaardnok = ja: de schakelaar „asymmetrisch zadeldak" in het parameterpaneel geeft je twee aparte hellingen — één per dakzijde. De nok verschuift dan uit het midden naar de steilere zijde. De twee hellingen moeten van elkaar verschillen.
Dakoverstek¶
Het overstek loopt van 0 tot 2,5 m. Twee modi:
- Eén waarde voor alle randen — schakelaar „var. dakoverstekken" uit (standaard).
- Per rand — schakelaar „var. dakoverstekken" aan: je geeft elke buitenrand of randgroep een eigen overstek. Elke regel toont de plattegrond klein ernaast, met de bedoelde rand geel gemarkeerd. Aan binnenhoeken (kelen) delen samenlopende randen automatisch één waarde.
Bijdaken (alleen bij vrije plattegrond)¶
Heeft je gebouw een restvlak dat het hoofddak niet afdekt — bijvoorbeeld een erker of een lagere aanbouw —, dan kies je via de knoppen „Dak 1", „Dak 2", … per vlak een van drie mogelijkheden: de verdiepingsvloer blijft zichtbaar, het vlak krijgt een eigen dak (vorm, helling en overstek los van het hoofddak) — of het wordt een dakterras.
| Waarde | Bereik |
|---|---|
| Vorm | Plat, Zadel, Schild, Lessenaar |
| Helling | 0 tot 80° |
| Overstek | 0 tot 2,50 m |
De dakvoet van een bijdak zit op de bovenkant van de verdiepingsvloer van zijn vlak. Dakramen en dakkapellen kunnen ook op bijdaken worden geplaatst.
Dakterrassen (alleen bij vrije plattegrond)¶
Als dakterras krijgt het restvlak een balustrade aan alle vrije buitenranden — naar keuze dicht of als spijlenbalustrade, zoals bij balkons en terrassen. De balustrade is vast versmolten met de verdiepingsvloer eronder (één printdeel); bij de aansluiting op de buitenmuur blijft een fijne printtolerantie van 0,3 mm, zodat het deel bij het in elkaar zetten niet klemt (in het monoliet-model ligt het er strak tegenaan).
Standaardnok — nok en goot zelf kiezen¶
Bij zadeldak en lessenaarsdak boven een standaardplattegrond (rechthoek, L, T, U) is er in het parameterpaneel de schakelaar „Standaardnok".
- Standaardnok = ja (standaard): de ligging van nok en goot wordt automatisch bepaald — bij het zadeldak ligt de nok evenwijdig aan de langere gebouwzijde, bij het lessenaarsdak helt het vlak naar de vooraf ingestelde gootzijde. Je hoeft verder niets te kiezen.
-
Standaardnok = nee: Je bepaalt de ligging zelf. Er verschijnt een omtrekvenster waarin je op de maatgevende randen klikt:
- Zadeldak: Kies twee tegenoverliggende evenwijdige randen — daartussen ligt de nok. Elke extra gekozen evenwijdige rand begrenst het dakvlak (dakgoot), maar verplaatst de nok niet.
- Lessenaarsdak: Kies de gootrand (de lage kant van het dak). Elke extra evenwijdige rand begrenst het dakvlak (dakgoot of nok).
Waar je geen rand kiest, loopt het dak door tot de omtrek. Kies je bij een eenvoudige rechthoek twee niet-tegenoverliggende randrichtingen, dan snijden ze elkaar automatisch tot een T-dak.
Alleen bij de standaardplattegrond
Bij de vrije plattegrond kies je de nok-referentieranden altijd via het omtrekvenster — daar is er geen Standaardnok-schakelaar. Bij de T-plattegrond is het lessenaarsdak niet beschikbaar.
Nok-referentieranden bij de vrije plattegrond¶
Bij de vrije plattegrond — en net zo bij elk bijdak op een restvlak — kies je de nok-referentieranden in het omtrekvenster. Uit jouw keuze ontstaan groepen, en elke groep is een eigen dakdeel. De groepen krijgen in het venster verschillende kleuren, zodat je ziet wat bij elkaar hoort.
- De eerste twee randen vormen de hoofdgroep — daartussen ligt de hoofdnok.
- Elke verdere rand evenwijdig daaraan zet een dakgoot. Die begrenst hoe ver het hoofddak op die plek naar beneden wordt doorgetrokken, maar verplaatst de nok niet. Waar je geen dakgoot zet, loopt het dakvlak door tot de onderste dakvoet — zo ontstaat een overdekte buitenruimte.
- Randen in een andere richting vormen een dwarskap. Een dwarskap heeft precies twee referentielijnen; kies je in zijn richting een derde rand, dan begint daarmee een nieuwe dwarskap. Dakgoten zijn er dus alleen in de hoofdgroep.
- In plaats van een tweede rand kun je op een hoekpunt klikken. Daar loopt dan een gestreepte, gedachte referentielijn doorheen, evenwijdig aan de eerste rand — handig wanneer er tegenover de dwarskap helemaal geen passende rand ligt. Elke dwarskap mag zijn eigen hoekpunt hebben.
Een dwarskap mag niet boven de hoofdnok uitkomen
Alle dakdelen hebben dezelfde helling — daarom bepaalt alleen de afstand tussen de twee referentielijnen de nokhoogte. Overspant een dwarskap verder dan het hoofddak, dan zou zijn nok hoger liggen; de app weigert dat en noemt je beide overspanningen.
Zolang er iets ontbreekt, blijft het dak staan
Een nog onvolledige groep — bijvoorbeeld een enkele lijn die op haar tweede referentielijn wacht — verandert het dak niet. Pas een volledig paar bouwt opnieuw. De aanwijzing onder het venster vertelt je wat er ontbreekt, en een stip op het tabblad Dak 1 … Dak n laat zien welk dak nog op zijn keuze wacht. Zolang één dak onaf is, ontstaat er helemaal geen dak — ook de al voltooide niet.
Wat je in het venster ziet
Nok-, hoekkeper-, kilkeper- en gevelrandlijnen worden live als dunne witte lijnen ingetekend — doorgetrokken de nok, gestreept hoekkeper, kilkeper en gevelrand. Ze komen uit het werkelijk gebouwde dak, niet uit een schets. Rood gemarkeerde stukken liggen tegen een opgaande buitenmuur: daar mag geen dakvoet afwateren, daarom wordt de dakvoet daar onderbroken en wordt boven het muurstuk een dwarskap gevormd.
Dakvoet en nok
Vaktermen rond het dak — dakvoet, nok, gevelrand, kniemuur — vind je in de Woordenlijst.