Ga naar inhoud

Aanbouwen

Een gebouw hoeft niet uit één enkel bouwvolume te bestaan. Bij de vrije plattegrond leg je naast het hoofdgebouw zoveel aanbouwen aan als je wilt — elk met een eigen hoogte en een eigen bovenafsluiting. Aanleggen doe je ze in de stap Plattegrond, hun bovenkant bepaal je in de stap Dak.

Wat een aanbouw is

Een aanbouw is een zelfstandig bijvolume naast het hoofdgebouw — geen uitsprong van het hoofdgebouw, maar een eigen volume met eigen wanden.

  • Een aanbouw heeft altijd één verdieping. De verdiepingen uit de stap Verdiepingen krijgt alleen het hoofdgebouw.
  • Elke aanbouw heeft zijn eigen dakvoethoogte. Die hangt niet af van de kamerhoogtes van het hoofdgebouw.
  • Hoofdgebouw en aanbouwen delen één bodemplaat. Wandhoogtes en daken ontstaan daar onafhankelijk van.
  • Aanbouwen zijn er alleen bij de plattegrondvorm Vrij — bij rechthoek, L, T en U niet.

Aanbouwen aanleggen

Aanbouwen ontstaan in de stap Plattegrond, wanneer je je tekening overneemt:

  • Teken in de tekeneditor alle omtrekken — hoofdgebouw en aanbouwen samen.
  • Klik op „Plattegrond overnemen".
  • Klik eerst het hoofdvlak aan, daarna één voor één de aanbouwvlakken.
  • „Klaar" sluit de toewijzing af.

Een aanbouw moet aan het hoofdgebouw grenzen — of aan een aanbouw die je daarvoor al hebt toegewezen. Een vlak dat nergens aansluit, kun je niet als aanbouw overnemen.

Elke aanbouw krijgt een vaste kleur. Die is in het tekenveld, in het paneel „Aanbouwen" en in het 3D-voorbeeld dezelfde, zodat altijd duidelijk is welk volume bedoeld wordt.

Hoogte, Actief en Doorgang

De toegewezen aanbouwen staan rechts in het uitklapblok „Aanbouwen" — per aanbouw één regel met kleurstip, naam, waarde en schuifregelaar.

Instelling Bereik
Hoogte (dakvoethoogte boven de bodemplaat) 0,30 m tot 10,00 m
Stapgrootte 0,10 m
Startwaarde van een nieuwe aanbouw 2,00 m

Daar komen twee schakelaars per aanbouw bij:

  • Actief — uit: de aanbouw wordt niet gebouwd. Al zijn instellingen blijven bewaard, je kunt hem op elk moment weer inschakelen.
  • Doorgang — opent de scheidingswand naar het hoofdgebouw over de vrije binnenbreedte van de aanbouw, zodat beide ruimtes in elkaar overlopen.

Scheidingswand naar het hoofdgebouw

Hoofdgebouw en aanbouw delen een buitenmuur als scheidingswand.

  • De scheidingswand hoort altijd bij het hoofdgebouw — bij een aanbouw die aan een andere aanbouw hangt, bij de aanbouw daarvoor.
  • Is de aanbouw hoger, dan bouwt hij in dezelfde vlucht op diezelfde wand verder. De wand verspringt daarbij niet.
  • Tussen de twee binnenruimtes staat daarom één wand van 0,40 m — niet tweemaal 0,40 m.

Aanbouwen en bovenverdiepingen

Teken je een bovenverdieping, dan zijn de vlakken van de aanbouwen vergrendeld die tot boven de onderkant van die verdieping reiken. Ze liggen gearceerd in het plan en kun je daar niet als vlak overnemen.

Vergrendeld is het overnemen, niet het tekenen

Boven een vergrendelde zone mag je gewoon doortekenen — hulplijnen blijven toegestaan. Alleen het vlak zelf kun je daar niet overnemen.

De bovenkant

Wat er bovenop een aanbouw gebeurt, bepaal je in de stap Dak. Daar kies je eerst het volume — Hoofdgebouw, Aanbouw 1, Aanbouw 2 … — en daarna een van drie mogelijkheden:

Keuze Wat de aanbouw krijgt
Eigen dak Een dak alleen voor deze aanbouw. Daarna kies je de dakvorm; daar hoort ook „Zonder dak" bij — dan eindigt de aanbouw vlak op dakvoethoogte en blijft hij naar boven open. Bij zadel- en lessenaarsdak klik je de nok-referentieranden op de omtrek van de aanbouw aan.
Dakterras Een plat dak met een balustrade op de randen met valgevaar. Randen tegen een hogere muur krijgen er geen.
Dak van het hoofdgebouw uitbreiden Geen eigen dak: het hoofddak wordt over hoofdgebouw en aanbouw gebouwd, de wanden van de aanbouw lopen tot eronder door.

Na het uitbreiden de nok-referentieranden opnieuw kiezen

Met „Dak van het hoofdgebouw uitbreiden" verandert de omtrek van het hoofddak. De nok-referentieranden van het hoofddak moet je daarna opnieuw kiezen — zie Dak.

Minimale afstand tussen de daken

De dakvlakken van aanbouw en hoofdgebouw mogen elkaar niet raken: op het smalste punt moet 15 cm afstand blijven, het overstek meegerekend. Wordt die afstand onderschreden, dan meldt de app dat en bouwt niet.

Dat geldt ook daar waar twee daken op de gemeenschappelijke scheidingswand tegen elkaar komen. Daar eindigen beide dakplaten op hetzelfde verticale vlak, de afstand is dus nul — onafhankelijk van hoe hoog je de aanbouw zet.

Een hoofdgebouw met plat dak draagt geen aanbouw met een eigen dak

Omdat de afstand bij de scheidingswand altijd nul blijft, kun je naast een plat dak geen aanbouw met een eigen dak bouwen. Voor die aanbouw blijven „Zonder dak" en „Dak van het hoofdgebouw uitbreiden" over.

Vaktermen

Dakvoet, nok en gevelrand vind je in de Woordenlijst. Verder gaat het met het Dak.