Ga naar inhoud

Aanbouwen

Een gebouw hoeft niet uit één enkel bouwvolume te bestaan. Bij de vrije plattegrond leg je naast het hoofdgebouw tot tien aanbouwen aan — elk met een eigen hoogte en een eigen bovenafsluiting. Aanleggen doe je ze in de stap Plattegrond, hun bovenkant bepaal je in de stap Dak.

Wat een aanbouw is

Een aanbouw is een zelfstandig bijvolume naast het hoofdgebouw — geen uitsprong van het hoofdgebouw, maar een eigen volume met eigen wanden.

  • Een aanbouw heeft altijd één verdieping. De verdiepingen uit de stap Verdiepingen krijgt alleen het hoofdgebouw.
  • Elke aanbouw heeft zijn eigen dakvoethoogte. Die hangt niet af van de kamerhoogtes van het hoofdgebouw.
  • Hoofdgebouw en aanbouwen delen één bodemplaat. Wandhoogtes en daken ontstaan daar onafhankelijk van.
  • Aanbouwen zijn er alleen bij de plattegrondvorm Vrij — bij rechthoek, L, T en U niet.
  • Meer dan 10 aanbouwen per plattegrond is niet mogelijk. Wil je er dan nog een, haal er eerst een bestaande weg.

Aanbouwen aanleggen

Aanbouwen ontstaan in de stap Plattegrond, wanneer je je tekening overneemt:

  • Teken in de tekeneditor alle omtrekken — hoofdgebouw en aanbouwen samen.
  • Klik op „Plattegrond overnemen".
  • Klik eerst het hoofdvlak aan, daarna één voor één de aanbouwvlakken.
  • „Klaar" sluit de toewijzing af.

Een aanbouw moet aan het hoofdgebouw grenzen — of aan een aanbouw die je daarvoor al hebt toegewezen. Een vlak dat nergens aansluit, kun je niet als aanbouw overnemen.

Elke aanbouw krijgt een eigen vaste kleur — bij tien aanbouwen tien verschillende, geen enkele herhaalt zich. Die kleur is in het tekenveld, in het paneel „Aanbouwen" en in het 3D-voorbeeld dezelfde, zodat altijd duidelijk is welk volume bedoeld wordt.

Een bestaande plattegrond wijzigen

Klik je bij een opgeslagen plattegrond op „Bewerken", dan komen hoofdgebouw en aanbouwen terug als tekening — elke aanbouw als eigen vlak.

  • Wijzig de omtrekken net als de eerste keer.
  • Klik op „Plattegrond overnemen".
  • Wijs opnieuw toe: eerst het hoofdvlak, daarna de aanbouwvlakken, dan „Klaar".

Hulplijnen komen niet terug

Hersteld worden de omtrekken, niet de tekening waarmee je ze hebt opgebouwd. Hulplijnen en de stap-terug-historie beginnen leeg.

Hoogte, Actief en Doorgang

De toegewezen aanbouwen staan rechts in het uitklapblok „Aanbouwen" — per aanbouw één regel met kleurstip, naam en een cijfertegel — dezelfde als bij de verdiepingshoogtes hierboven, waarmee hij ook in één lijn staat.

Minimale afstand tot de dakvoet van het hoofdgebouw

Raakt een aanbouw het hoofdgebouw, dan moet zijn dakvoet minstens 0,50 m van de dakvoet van het hoofdgebouw verwijderd blijven. De waarden daartussen staan daarom helemaal niet in de tegel: ligt het hoofdgebouw op 3,20 m, dan springt de knop van 2,70 m meteen naar 3,70 m.

Hangt de aanbouw alleen aan een andere aanbouw en raakt hij het hoofdgebouw nergens, dan geldt de afstand niet. Zijn dakvoet mag dan precies even hoog liggen als die van het hoofdgebouw.

Instelling Bereik
Hoogte (dakvoethoogte boven de bodemplaat) 0,30 m tot 20,00 m
Stapgrootte 0,10 m
Startwaarde van een nieuwe aanbouw 2,00 m

Daar komen twee schakelaars per aanbouw bij:

  • Actief — uit: de aanbouw wordt niet gebouwd. Al zijn instellingen blijven bewaard, je kunt hem op elk moment weer inschakelen.
  • Doorgang — opent de scheidingswand over de vrije binnenbreedte van de aanbouw, zodat beide ruimtes in elkaar overlopen. Voor ruimtekleuren en vloertexturen tellen hoofdgebouw en aanbouw dan als één enkele ruimte; zonder doorgang blijven het er twee.

Doorgang: eerst naar het hoofdgebouw

De doorgang gaat altijd eerst naar het hoofdgebouw: raakt de aanbouw het hoofdgebouw, dan opent zich precies die scheidingswand — ook wanneer de aanbouw daarnaast nog aan andere aanbouwen grenst. Alleen als hij het hoofdgebouw helemaal niet raakt, gaat de doorgang naar de aangrenzende aanbouw. Hangt aanbouw 2 dus aan aanbouw 1 en niet aan het hoofdgebouw, dan opent zijn doorgang de wand tussen beide aanbouwen.

Van wie de scheidingswand is, maakt daarbij niet uit — de doorgang opent hem hoe dan ook.

Bovenaan eindigt de doorgang altijd daar waar op die plek het dak begint — en wel aan beide zijden van de wand:

Wat er boven de doorgang ligt Waar hij eindigt
Hellend dak (eigen aanbouwdak, hoofddak of het dak van de aangrenzende aanbouw) aan de onderkant van het dakvlak — de uitsnede volgt de helling
Plat dak, dakterras of „Zonder dak" op dakvoethoogte van het betreffende volume
Verdiepingsvloer van het hoofdgebouw (hoofdgebouw met meerdere verdiepingen) aan de onderkant van de vloer

Van twee grenzen geldt altijd de laagste: de doorgang staat nooit boven een dak in de open lucht.

Van wie is de scheidingswand?

Twee aan elkaar grenzende volumes delen één buitenmuur als scheidingswand — tussen de twee binnenruimtes staat dus één wand van 0,40 m en niet tweemaal 0,40 m. Hij wordt maar één keer gebouwd, en wel door precies één van de twee volumes.

Wie hem bezit, wordt bepaald door wiens wand op die plek doorloopt:

  • Loopt de wand van het ene volume voorbij het gedeelde stuk door en die van het andere niet, dan hoort de wand bij het doorlopende volume. Dat kan ook de aanbouw zijn — dan bouwt het hoofdgebouw daar geen eigen wand.
  • Lopen beide door of geen van beide, dan geldt de oude rangorde, in deze volgorde:

    1. Het hoofdgebouw wint altijd.
    2. Hangt een aanbouw aan een andere aanbouw, dan wint die waaraan hij hangt.
    3. Onder de overige buren — vooral twee aanbouwen aan hetzelfde volume — wint de hogere.

Zo blijft de wandvlucht doorlopend: hij verspringt niet met een wanddikte, alleen omdat langs een wandtracé de eigenaar wisselt.

De dakomtrek schuift mee

Hoort de doorlopende wand bij de aanbouw, dan staat hij een wanddikte buiten de omtrek van het hoofdgebouw. Het dak van het hoofdgebouw schuift op die plek mee naar buiten — anders zou de wand boven het aanbouwdak naast het dak in de open lucht staan.

Is de aanbouw hoger dan zijn buur, dan zet hij bovenaan vlak aansluitend op diezelfde wand op.

Aanbouwen en bovenverdiepingen

Teken je een bovenverdieping, dan zijn de vlakken van de aanbouwen vergrendeld die tot boven de onderkant van die verdieping reiken. Ze liggen gearceerd in het plan en kun je daar niet als vlak overnemen.

Vergrendeld is het overnemen, niet het tekenen

Boven een vergrendelde zone mag je gewoon doortekenen — hulplijnen blijven toegestaan. Alleen het vlak zelf kun je daar niet overnemen.

De bovenkant

Wat er bovenop een aanbouw gebeurt, bepaal je in de stap Dak. Daar kies je eerst het volume — Hoofdgebouw, Aanbouw 1, Aanbouw 2 … — en daarna een van drie mogelijkheden:

Keuze Wat de aanbouw krijgt
Eigen dak Een dak alleen voor deze aanbouw. Daarna kies je de dakvorm; daar hoort ook „Zonder dak" bij — dan eindigt de aanbouw vlak op dakvoethoogte en blijft hij naar boven open. Bij zadel- en lessenaarsdak klik je de nok-referentieranden op de omtrek van de aanbouw aan.
Dakterras Een plat dak met een balustrade op de randen met valgevaar. Randen tegen een hogere muur krijgen er geen.
Dak van het hoofdgebouw uitbreiden Geen eigen dak: het hoofddak wordt over hoofdgebouw en aanbouw gebouwd, de wanden van de aanbouw lopen tot eronder door.

Na het uitbreiden de nok-referentieranden opnieuw kiezen

Met „Dak van het hoofdgebouw uitbreiden" verandert de omtrek van het hoofddak. De nok-referentieranden van het hoofddak moet je daarna opnieuw kiezen — zie Dak.

Minimale afstand tussen de daken

De dakvlakken van aanbouw en hoofdgebouw mogen elkaar niet raken: op het smalste punt moet 5 cm afstand blijven, het overstek meegerekend. Wordt die afstand onderschreden, dan meldt de app dat en bouwt niet.

Of de afstand volstaat, hangt af van de hoogtes: het aanbouwdak stijgt vanaf zijn goothoogte, en zodra de nok de dakplaat van het hoofdgebouw bereikt, blijft er geen afstand over. De app noemt dan beide uitwegen — het hoofdgebouw hoger of de aanbouw lager maken.

Een gemeten voorbeeld: hoofdgebouw 12 × 9 m met plat dak, aanbouw 4 × 4 m met een zadeldak van 30° en een goothoogte van 2,60 m. Bij 3,80 m hoofdgebouwhoogte wijst de app af; bij 4,00 m bouwt hij. Verlaag je in plaats daarvan de goothoogte van de aanbouw naar 1,50 m, dan bouwt hij ook. Een hoofdgebouw met plat dak draagt dus wel degelijk een aanbouw met een eigen dak — het moet alleen hoog genoeg zijn.

Wat een aanbouw verder nog voor zichzelf heeft

Een aanbouw is ook in de volgende stappen een eigen volume:

Gebied Wat de aanbouw voor zichzelf heeft
Openingen Eigen ramen, deuren en doorbraken in zijn wanden — ook meerdere ramen gelijkmatig over een aanbouwgevel verdeeld. Zie Openingen.
Binnenwanden Eigen binnenwanden in de aanbouw. Ze snappen op zijn binnenranden net als in het hoofdgebouw en delen de ruimtes daar net zo op. Zie In- en aanbouw.
Texturen Een eigen geveltextuur en een eigen daktextuur, onafhankelijk van het hoofdgebouw. Zie Texturen.
Zichtbaarheid Een eigen schakelaar in het paneel „Zichtbaarheid". Zie Gereedschappen.
Printonderdelen In de modus voor losse onderdelen worden de wanden van de aanbouw met dezelfde hoekprofielen als de hoofdwanden gesplitst en voor het printen georiënteerd. Zijn dak is een eigen printonderdeel — ook in het monolietmodel vanaf 1:100. Zie Insteekverbinders & opdeling.
Verbinders Aan de scheidingswand steekt de aanbouw met een zwaluwstaartverbinding in de buur — tot 1:99. Zie Insteekverbinders & opdeling.

Vaktermen

Dakvoet, nok en gevelrand vind je in de Woordenlijst. Verder gaat het met het Dak.