Ga naar inhoud

Insteekverbinders & opdeling

Past een onderdeel niet op je printbed, dan deelt PrintHaus het bij de export automatisch op in bedgrote stukken en plaatst er insteekverbinders in, zodat je ze naderhand weer aan elkaar kunt steken. Of dat gebeurt, hangt af van de schaal die je in de stap Export kiest.

Wanneer wordt er opgedeeld?

Een onderdeel dat plat niet op je printbed past, wordt bij de export dwars op de lengteas in meerdere delen gesneden. Wat al op het bed past, blijft één stuk.

  • De bedgrootte komt uit je printerkeuze of de handmatige bedgrootte in de stap Export.
  • De sneden worden langs openingen (ramen, deuren) en wandaansluitingen gelegd — nooit dwars door zo'n detail heen.
  • Ook platte platen (vloer, plafond, dak) en lange binnenmuren worden zo nodig gedeeld. Het dak wordt daarbij dwars op de nok gescheiden, zodat elk deel een nok- en een dakvoetrand houdt.

Insteekverbinders

Op de scheidingsvlakken zitten verbinders, zodat de delen weer precies passend samenkomen. Er zijn drie soorten:

Soort Waar Hoe
Veer & groef (geïntegreerd) wand ↔ dak en dakvlak ↔ dakvlak rechtstreeks in de delen gevormd — veer grijpt in groef, geen los deel
Zwaluwstaart / verstek (geïntegreerd) buitenmuurhoeken, binnenmuuraansluitingen en de scheidingswand naar een aanbouw de delen zijn op verstek gesneden en grijpen vormgesloten in elkaar
Insteekdeuvel (los) op de sneden van de automatische opdeling (wanden, platen) een los, klein zwaluwstaartdeel dat je in beide helften steekt
  • Bij de losse-onderdelenschalen 1:10–1:99 verbinden geïntegreerde verbindingen de delen: veer/groef op de daknaden (nok, hoekkeper, kilkeper) en daar waar het dak op de wanden rust; zwaluwstaart/verstek op de buitenmuurhoeken en binnenmuuraansluitingen.
  • De losse insteekdeuvels ontstaan alleen wanneer een deel vanwege de bedgrootte opgedeeld moet worden.

Waar de deuvels in de export liggen

De losse insteekdeuvels worden samen met hun hoofdonderdeel uitgevoerd en dragen diens kleur — je vindt ze dus in hetzelfde bestand of op dezelfde plaat als de wand of plaat waar ze bij horen.

Scheidingswand tussen hoofdgebouw en aanbouw

Waar een aanbouw tegen het hoofdgebouw of tegen een andere aanbouw stoot, hoort de gemeenschappelijke wand maar bij één van de twee volumes. Het andere dokt daar aan met een zwaluwstaartverbinding: op het volume dat de wand bouwt zit de tap, in de aankomende wand de bijpassende uitsparing. Zo staat het aankomende volume er niet zomaar stomp tegenaan.

Dat geldt in beide richtingen: hoort de doorlopende wand bij de aanbouw, dan dokt het hoofdgebouw in de aanbouwwand aan; hoort hij bij het hoofdgebouw, dan is het andersom. Van wie de wand is, staat onder Aanbouwen.

  • De tap loopt van onder de bodemplaat tot hoogstens 2,50 m hoog; de uitsparing loopt over de hele wandhoogte door en is boven zowel als onder open, zodat het deel erin geschoven kan worden.
  • Alleen bij schalen tot 1:99. Vanaf 1:100 wordt monolithisch geprint — daar is de wand toch al één stuk en valt er niets te verbinden.
  • Grootte: tussen 1:50 en 1:99 groeit de verbinder met de schaal mee, zodat hij geprint altijd even groot blijft als bij 1:50 — anders zou hij bij 1:99 te klein zijn om te houden. Bij grotere schalen (1:10 tot 1:49) blijft het bij de 1:50-maat aan het model; geprint valt de verbinder daar dus groter uit, wat de stevigheid alleen maar helpt.

Wand ↔ Verdiepingsvloer

Waar een wand op een verdiepingsvloer of de bodemplaat staat, is de verbinding ingevormd — je hoeft niets te steken. Welke van de twee bouwwijzen ingrijpt, bepaalt de ligging van de wand:

Ligging van de wand Verbinding
De buitenmuur is tegelijk de rand van de verdiepingsvloer (normaal geval, ook aan de uitkraging) Plint-tap: de wand heeft onderaan een omlopend profiel, de plaat eronder de passende groef.
De wand staat midden in het vloerveld — de verdiepingsvloer loopt voorbij zijn buitenvlak door (typisch na een terugsprong) Wigverbinding: een 45°-wig aan de onderkant van de wand grijpt in een uitsparing in de verdiepingsvloer. De wig is half zo hoog als de verdiepingsvloer dik is en zit midden op de wandas.

Loopt een wand in de lengte over een wand van de verdieping eronder, dan blijft het bij de plint-tap — daar draagt de wand eronder.

De speling van de wigverbinding bedraagt geprint 0,2 mm per flank en blijft in elke schaal gelijk; de wigvorm zelf groeit met het model mee.

Losse onderdelen of monoliet?

Of je huis in echte losse onderdelen met verbinders uiteenvalt of als massief blok komt, bepaalt alleen de schaal:

Schaal Wat je krijgt
1:10 tot 1:99 Losse onderdelen: elke wand, elk plafond en elk dakvlak als eigen printdeel. Te grote delen worden opgedeeld en krijgen insteekverbinders.
vanaf 1:100 (fijner) Monoliet: elke verdieping en het dak elk als één massief lichaam — geen losse onderdelen en niets om samen te steken. Openingen blijven als uitsparing.

Ook in de monoliet blijft het dak van elke aanbouw een eigen printdeel — het versmelt niet met het hoofddak. Een gebouw met twee aanbouwen levert dus een hoofddak en twee aanbouwdaken op, plus per verdieping één lichaam.

Monoliet-lichamen worden niet opgedeeld

Vanaf 1:100 wordt er niet meer opgedeeld. Een verdieping of een daklichaam komt als één stuk — kies de schaal dus zo dat één verdieping op je printbed past.

Vaktermen

Veer, groef, zwaluwstaart, nok, dakvoet & co. worden in het Glossarium uitgelegd.